“Ze is dichtbij… ze hoort je nu… Niet verder gaan… niet verder…”
…
(heldere ijzige stem) “Jullie zoeken haar stem? Jullie lopen op míjn grond. Elk blad kent je naam. Elk hart klopt luider hier. Kom dan… breng me wat mij toebehoort.”

“Ze zei dat ik mijn moeder kon redden… Een elixer om te genezen, zei ze. Lavendel voor rust… salie voor zuivering… Maar het rook niet naar leven. Het rook naar dood. Toen ik haar vroeg waarom het zwart werd, glimlachte ze… en zei: ‘Nu zal het nooit meer ophouden.’
(fluisterend) Ze ging toen naar de plek… waar het lachen haar overstemde…”

(vrolijk, zingt zachtjes) “Ze zei dat ik mocht blijven. Dat ik nooit meer naar huis hoefde. Ze gaf me een appel… rood en mooi… Ik at een hap. Toen werd het donker. (stem breekt) Ze zong verder. Ik hoor haar nog, bij het water… Ze zegt dat het daar stiller is… dat ze me daar echt wil laten rusten.”
(stem breekt) Ze zong verder. Ik hoor haar nog, bij het water… Ze zegt dat het daar stiller is… dat ze me daar echt wil laten rusten.”

“Ik zag een gezicht in het water. Ze glimlachte terug… maar het was niet het mijne. Ze greep me… trok me onder. Haar vingers waren koud als steen.
(zwaar ademend) Onder de oppervlakte is het niet stil…Ze fluistert daar, over de wortels van de bomen… over het pad dat terug het bos in leidt. Daar komt ze vandaan.
